|
Papoea-vrouwen beginnen actie voor weeskinderen

Haagse Courant 20 oktober 1989
redactie JOKE KORVING

•
Betty Ireeuw (op de voorgrond) met achter haar Nella Westra (links) en
Gootje Mano.
Foto: Eric Blom
Ze zijn vanuit hun cultuur niet gewend op de barricade te staan, maar
gedwongen door de situatie komen Papoea-vrouwen nu op voor hun rechten en
die van hun volk. Hun vereniging bestaat tien jaar. In die periode hebben
zij gewerkt aan hun emancipatie en integratie in de Nederlandse samenleving.
Op hun eigen -bescheiden - wijze. Binnenkort gaan de vrouwen veel
opvallender te werk. Zij zullen dan wereldwijd de aandacht vragen voor de
weeskinderen, die in het oostelijk deel van Nieuw-Guinea (Papua New Guinea)
in vluchtelingenkampen leven.
Bovendien zullen zij een dringend beroep doen op de Nederlandse overheid om
in haar minderhedenbeleid ook Papoea's een plaats te geven. Morgen is er in
Nieuwegein een bijeenkomst ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de
Verenging Papoea Vrouwen in Nederland. Een feest wil voorzitter Betty
Ireeuw-Kaisiëpo het niet noemen. „Het is meer een herdenking", zegt ze. „En
wat we zullen herdenken, is dat we in die tijd alles op eigen kosten hebben
gedaan. Wij krijgen geen enkele subsidie, hebben met ons huishoudgeld voor
onze belangen moeten strijden. Het thema is daarom morgen dat wij de
Nederlandse regering willen dwingen om het minderhedenbeleid te herzien".
Haar grote grief is dat de Papoea's in onze samenleving als bevolkingsgroep
wordt ontkend, terwijl volgens haar Nederland jegens deze groep een morele
plicht heeft. „De Papoea wordt niet meer in een adem genoemd met andere
ex-koloniale onderdanen, zoals de Surinamer, Antilliaan en Molukker", meent
Betty Ireeuw.
Gootje Mano-Telussa, Nella Westra-Kaisiëpo en Betty Ireeuw-Kaisiëpo behoren
tot de zes vrouwen, die in 1979 de vereniging oprichtten. In eigen kring
werd er aanvankelijk vreemd tegenaan gekeken. „Zo zijn wij toch niet",
reageerden de meesten. Toch groeide langzamerhand het besef dat ook
Papoea-vrouwen mondiger moesten worden. In de loop van de tijd meldden zich
steeds meer leden. „Men is nu blij dat de vereniging er is", zeggen ze.
Zorg
Op sociaal-, cultureel- en educatief gebied is inmiddels veel op gang
gekomen. Maar hun eigen belangen hebben nu plaats gemaakt voor de nood van
hun landgenoten, die van Irian Jaya - dat door Indonesië is ingelijfd - zijn
gevlucht naar het oostelijke, onafhankelijk deel van Nieuw-Guinea. Zo stuurt
de vereniging geregeld kleding en geld. Maar de grote zorg van de vrouwen
betreft vooral de weeskinderen. Daarom begint de vereniging volgende maand
met een kaartenactie. Betty Ireeuw: „Wij gaan moeders in de hele wereld
oproepen zich te bekommeren om het Papoeakind. Daarnaast vragen wij
organisaties als Foster Parents Plan ook aan deze kinderen te denken. Want
aan de wezen in de kampen is nog nooit aandacht besteed". De vereniging gaat
zich bovendien sterk maken voor financiële steun aan de kinderen. „Wij
proberen in het rijke westen geld in te zamelen om de wezen daar een bestaan
te garanderen".
De plannen staan vast en de drie vrouwen hopen dat die even zeer zullen
slagen als al het andere dat de vereniging de afgelopen tien jaar heeft
ondernomen. Zo werden cursussen opgezet in de Nederlandse taal en werden
congressen voor zwarte vrouwen bijgewoond. Ook op de Internationale
Vrouwendag, op 8 maart, was de vereniging steeds actief. Als hoogtepunt tot
nu toe beschouwen zij hun deelname aan de Internationale Vrouwenconferentie,
die in juli 1985 in Nairobi is gehouden.
„Bovendien hebben we onder Nederlanders geprobeerd begrip te kweken voor
zwarte mensen. Onze mensen hebben we bijgebracht dat zij geduld moeten
opbrengen voor het onbegrip van de Nederlanders". De vereniging richt zich
ook steeds meer op de tweede generatie Papoea-vrouwen en hamert voortdurend
op het belang van goede opleidingen. Met succes, zo blijkt. Inmiddels hebben
zich studentes bij de vereniging aangesloten. Een tevreden Betty Ireeuw:
„Dat nu ook de tweede generatie lid wordt, vinden wij een bekroning van ons
werk".
|