|
Weeshuis voor Papoea's dankzij Nederlandse hulp

Haagse Courant 9 oktober 1990
redactie JOKE KORVING
„Een
puur onmenselijke situatie". Wetenschapper Tolsma stelt dit verbijsterd vast
na zijn bezoek aan het weeshuis in Wamena op Irian Jaya, het vroegere
Nederlands Nieuw-Guinea.
In opdracht van de Stichting Hulp aan Papoea's in Nood (Hapin) doet hij
onderzoek naar de leefomstandigheden van de kinderen daar. Zij worden
liefdevol verzorgd; laat er geen misverstand over bestaan. „Maar de
huisvesting tart elke beschrijving", meldt Tolsma in zijn rapport.
Dat rapport verscheen overigens driejaar geleden. Hapin ondernam echter
onmiddellijk actie en al spoedig was er geld bijeengebracht voor een nieuw
weeshuis. Het verkrijgen van vergunningen vergde veel tijd, zodat pas in
maart van dit jaar met de bouw van het Regenboog-weeshuis kon worden
begonnen. Morgen wordt het gebouw officieel geopend.
„Een mijlpaal", zegt secretaris Nico Padding van de stichting daarover.
„Niet alleen omdat dit tot nu toe ons grootste project is, maar vooral door
de geweldige steun die wij in Nederland hebben gekregen". Die hulp kwam van
de zevenduizend vaste donateurs van de stichtingen en van de zesduizend
nieuwe die Hapin mocht noteren.
Machtswisseling
Het is niet het enige weeshuis in Irian Jaya waarvoor de stichting zich
inzet. Zij steunt al jaren nog twee andere in Abepura en Sorong. Sinds enige
tijd helpt Hapin ook een weeshuis in Serwi op Japen, waar ruim honderd
kinderen wonen. Padding, die er vorig jaar op bezoek was, zegt: „De toestand
daar is zoals het in Wanema was. Wij zorgen nu voor het levensonderhoud van
de kinderen en hebben inmiddels nieuwe bedden en matrassen gegeven. De
stichting is van plan nog wat kleine dingen
te doen, zoals het sturen van een zaagmachine. Als dat is gebeurd, gaan we
ook aan deze nieuwbouw werken".
Nico Padding is vanaf het eerste uur betrokken bij Hapin, dat in 1972 werd
opgericht; driejaar nadat Irian Jaya door Indonesië was ingelijfd. „Het
Papoea-volk leed onder deze ongewenste machtswisseling. Wij wilden daar
daadwerkelijk wat aan gaan doen", verklaart Padding het doel van de
oprichting. De hulp aan de Papoea's kwam in 1975 pas goed op gang toen Hapin
contact kreeg met het domineesechtpaar Itaar, dat zich in Abepura over
weeskinderen had ontfermd. „Ongeveer tachtig kinderen zaten daar bij elkaar
in de meest troosteloze omstandigheden", zegt Padding. „Het werd ons eerste
project. Wij hebben meteen gezorgd voor het hele pakket dat een gezin nodig
heeft, zoals kleding en speelgoed".
Kort erna nam de stichting ook de zorg op zich van een weeshuis in Sorong,
geleid door een pleegkind van het domineesechtpaar. Padding: „De familie
Itaar ontzegt zichzelf ongelooflijk veel om anderen te kunnen helpen. De
stichting is hun toevlucht geworden. De Indonesische regering draagt wel wat
bij, maar dat is een belachelijk aandeel. Aan de andere kant is het
waardevol, want het betekent officiële erkenning". Padding merkt dan
nogmaals op dat de stichting alleen dankzij de donateurs hulp kan geven.
„Het geld voor het nieuwe weeshuis was er binnen twee maanden. Alles bij
elkaar heeft het 280.000 gulden gekost. Voor Indonesische begrippen is dat
een enorm bedrag. Eén gulden is honderd rupiah, dus heb je het over 28
miljoen. Maar zo'n zelfde gebouw zou hier in Nederland zeker een ton of zes
hebben gekost".
De duizenden Papoea's, die in vluchtelingenkampen leven in het oostelijke
deel van Nieuw-Guinea (Papua New Guinea) worden evenmin door Hapin vergeten,
hoewel de stichting lang niet kan bieden wat zij wil. „Wij geven een ton per
jaar en dat is een druppel op de gloeiende plaat", zegt Padding. Dan fel:
„Het ergerlijke is dat de Nederlandse regering, die ontzettend veel geld
voor ontwikkelingshulp uittrekt, niets aan de Papoea's geeft. En waarom
niet? Omdat Indonesië in het spel is! Omwille van de goede relatie en omdat
het ons economisch geld in het laatje brengt, wordt voorbijgegaan aan een
eeuwenlange band".
Voor meer informatie over de stichting: (033) 728690.
|