Disclaimer

naar vorige pagina

Het laatste wit op onze kaart

Uit de Volkskrant: door Ben van Raaij 4-4-2009

Vijftig jaar geleden vond de laatste Nederlandse ontdekkingsreis plaats, een expeditie naar het Sterrengebergte in toenmalig Nederlands Nieuw-Guinea. De laatste witte plek op de kaart werd ingevuld....

Het is een klassiek 19de-eeuws beeld: de ontdekkingsreiziger die doordringt in een oerwoud waar geen ’blanke’ ooit ging en zo ’witte plekken’ invult op de kaart. Toch heeft die 19de eeuw langer geduurd dan je denkt.

Komende week is het vijftig jaar geleden dat de laatste grote Nederlandse landexpeditie vertrok die zo’n witte plek wegwerkte: de expeditie naar het Sterrengebergte in het centrale hoogland van voormalig Nederlands Nieuw-Guinea. Welgeteld 29 oud-expeditieleden vieren dit 10 april met een reünie in natuurhistorisch museum Naturalis in Leiden. Ze zullen er terugblikken op een bijzonder moment in de tijd.

De expeditie had een lange aanloop. Initiatiefnemers waren in 1953 het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap en de Maatschappij voor Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen. In 1955 werd een Stichting Expeditie Nederlands Nieuw-Guinea opgericht. Het was een beladen plan, omdat de Nederlandse aanwezigheid in Nieuw-Guinea steeds meer omstreden werd (zie kader). ’De overdracht zat al in de lucht’, herinneren de expeditieleden zich.

Het Sterrengebergte werd het doel omdat het echt een witte plek op de kaart was, zegt geomorfoloog en oud-expeditielid Herman Verstappen (83). ’Een logische keuze.’ De globale topografie was bekend van luchtfoto’s (Verstappen zag daarop sporen van heel oude gletsjers), maar niet hoe het zat met bevolking, geologie, flora en fauna. De vallei van de rivier Sibil, ten westen van de Oost-Digoel, leek bovendien een ideale plek voor een basiskamp met airstrip.

De leiding van de expeditie was in handen van Leo Brongersma, directeur van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie (nu Naturalis) en marinevliegenier overste G. F. Venema. De voorbereidingen werden een logistieke en financiële nachtmerrie. Dat gold ook de selectie van deelnemers. Zo moest de bekende Groningse fysisch geograaf W. F. Hermans afvallen.

De grote toeloop was begrijpelijk, want een expeditie naar terra incognita was natuurlijk jongensboek-avontuur, zegt John Staats (78), oud-medewerker van Naturalis, die mee mocht als technisch assistent zoölogie en preparateur.

Basisbivak

Op 10 april 1959 vertrekt de expeditie vanuit Nederland – via een ommelandse vliegreis, omdat Nederlanders vanwege Nieuw-Guinea niet overal welkom zijn. In het basisbivak Mabilabol wordt het druk, met veertien wetenschappers (geologen, een bodemkundige, een kartograaf, botanici, zoölogen, een linguïst, cultureel en fysisch antropologen), twee artsen en twee medisch assistenten, vier vliegers en drie mecaniciens, voor de twee helikopters. Voorts drie lokale ambtenaren, dertig Papoea-dragers en ook de befaamde NCRV-verslaggever Alfred van Sprang, die in zeven televisieafleveringen het thuisfront verslag zal doen.

Om mensen en materieel te beschermen en te helpen met de logistiek, zijn ook een detachement mariniers en een detachement inheemse veldpolitie present, elk zo’n twintig man. Uit voorzorg, zegt Ferrie Brandenburg van den Gronden (73), die als dienstplichtig marinier bijtekende om mee te mogen. ’Er was in 1939 een hele ploeg oliezoekers verdwenen in het gebied. Men nam aan dat die waren opgepeuzeld.’ De mariniers hebben de eerste Nederlandse uzi’s bij zich, om te testen.

De expeditie wordt van meet af aan geplaagd door logistieke malheur. Zo zijn landingsstroken door de vele regen dagenlang onbruikbaar, worden piloten uitgeschakeld door de ’Biakgriep’, krijgen de vliegtuigen panne en zal een van de helikopters zelfs neerstorten op de hellingen van de berg Antares (de piloot blijft daarbij ongedeerd). Halverwege is het geld op, tot de scheepsmagnaat Cornelis Verolme twee ton doneert en een oliemaatschappij haar vliegtuigen beschikbaar stelt voor langverbeide voedseldroppings.

Vanuit het basisbivak gaan de wetenschappers aan de slag. De leiding heeft moeite de zaken af te stemmen, omdat alle disciplines om tijd en materieel concurreren. Staats: ’De zoölogen wilden dieren verzamelen, de bodemkundige wilde putjes graven, de talenman wilde weken in de kampong zitten om woordenlijsten te maken, en de geologen wilden natuurlijk met hun hamers de bergen in.’

De Papoea’s blijken vriendelijk en nieuwsgierig naar de blanke bezoekers, die zij als curieuze wezens van een andere orde beschouwen. ’Katamokmok, zei je dan’, aldus Staats, ’wij zijn goed volk. En dan gaf je de knokkelgroet.’ De Sibil-mannen (vrouwen zijn schuwer) komen graag werken op het bivak, om de landingsbaan bij te houden of grindpaden aan te leggen. Ze krijgen twee doosjes lucifers per dag en na 27 dagen een ijzeren bijl, een hele verbetering vergeleken met de stenen bijlen die zij bezitten. Die 27 dagen, dat is omdat Sibillers tot 27 tellen, waarbij ze hun lichaam als telraam gebruiken.

De Sibillers zijn klein van stuk (hooguit 1.50 meter), gezond maar eenzijdig gevoed. Ze eten vooral bataten en andere knollen die ze in hun tuintjes verbouwen. Mannen dragen een bong of peniskoker, soms een hoofdtooi van casuarisveren, koppen van neushoornkevers op hun neusvleugels, een botje door hun neustussenschot en schijven bamboe (of later soms een rol pleisters) in hun oorlel.

Van kannibalisme – dat elders in Nieuw-Guinea nog sporadisch voorkomt– lijkt in de Sibil geen sprake. Wel plegen dorpen onderling oorlog te voeren, waarbij soms doden vallen. Die oorlogen voltrekken zich volgens strikte regels. De vijanden kappen samen het slagveld vrij en stellen vast wanneer het begint. Als het gaat regenen, wordt de strijd gestaakt.

Peniskoker

De mariniers leren de Sibillers ook een westerse sport: voetballen. Hoogtepunt van het spel was, vertelt Staats, ’als de mannen elkaars peniskoker kapot schoten. Wij gaven ze dan krantenpapier om een rolletje van te maken als vervangend kledingstuk, waarmee hun mannelijk fatsoen was gered.’

Misschien, denk ik achteraf, heben we het leven daar wel wat verstoord, zegt Staats. ’Kreeg zo’n jongen ineens een ijzeren bijl die veel meer waard was dan de stenen bijlen waaraan de oudere mannen eindeloos zaten te slijpen. Dat zette de verhoudingen in zo’n dorp op zijn kop. Mensen verwaarloosden ook hun akkers omdat ze bij ons eten kregen zoveel ze wilden.’

Ondanks alle logistieke problemen boekt de expeditie in een half jaar veel resultaten. Zo worden grote collecties opgebouwd van planten en dieren. Deels verzameld (’dat klinkt aardiger dan geschoten’, aldus Staats), deels aangebracht door de bevolking. ’Soms kwamen ze aanlopen met drie levende kikkers tussen hun tenen geklemd. Die ruilden we dan voor lucifers of een limonaderietje dat ze door hun neus konden steken.’

Het heeft veel weg van een bijna Victoriaanse verzamelwoede. Alles is interessant, dus je verzamelt alles, is het motto. ’We deden in die tijd niet aan specialismen, maar werkten zo breed mogelijk.’ Al het materiaal moet in de vochtige tropische warmte snel worden geprepareerd en geëtiketteerd, anders schimmelt het meteen weg.

De fysisch antropologen onderzoeken de bevolking. We deden dingen die je je nu niet meer kunt voorstellen, herinnert Staats zich. ’We gingen met krompassers aan de slag om schedels op te meten. We knipten haar af, vergeleken huid met kleurentabellen, namen vingerafdrukken, prikten bloedmonsters. Bijna beschamend achteraf, maar zulk uniek materiaal kun je nu nooit meer verzamelen.’

Ook het landschap wordt nauwkeurig geïnspecteerd en opgemeten. Geomorfoloog Verstappen onderzoekt de karstverschijnselen in het gebied en toont met verfwater aan dat de Sibil, die ondergronds verdwijnt, 14 kilometer verderop in de Oost-Digoel uitmondt.

De geologen zoeken naar uranium en goud (vergeefs) en maken later een ’doorsteek’ naar Hollandia (Jayapura) aan de noordkust. Ook worden er astronomische plaatsbepalingen gedaan om het precieze verloop van de grens te bepalen – een heel gedoe want je hebt een heldere nacht nodig om de sterren te zien, en het regent steeds. Er zijn zelfs grenspalen neergezet, herinnert Staats zich. ’Die moeten er nog staan – Koninkrijk der Nederlanden staat erop.’

Hoogtepunt van de expeditie, ook letterlijk, zijn de beklimmingen van de Antares (3.650 meter) en de Julianatop (4.640 meter). De Antares-klim was een zware bostocht, maar niet zonder gevaar, zegt Verstappen. ’Het ijzergehalte van de berg was zo hoog, dat onze kompassen van slag raakten. Daardoor daalden we bijna naar de verkeerde kant af. Dan zouden we echt spoorloos zijn verdwenen.’

De Julianatop blijkt een echte alpiene beklimming. ’De berg had nog een sneeuwkap. Die is nu weg door het broeikaseffect.’ De Papoea-dragers willen niet mee omhoog. Op de berg woont een godin, en hij is daarom aloet: taboe.

Containers

In oktober 1959 keerde de expeditie terug naar Nederland. Maanden later volgde in zes enorme containers het verzamelde materiaal, waarna de verwerking kon beginnen. Een integraal wetenschappelijk verslag kwam er nooit. ’Interdisciplinair werk was nog niet zo gebruikelijk’, aldus Verstappen. Wel waren er tijdschriftpublicaties en verscheen er al in 1960 een reisverslag van Brongersma en Venema met de wat omineuze titel Naar het witte hart van Nieuw-Guinea, dat twee drukken beleefde en ook in een tiental talen werd vertaald.

Daarnaast is er natuurlijk al het botanisch en zoölogisch materiaal in de depots van Naturalis, waarvan een flink deel een halve eeuw later nog niet eens is bestudeerd. Maar het is uitstekend geconserveerd en in elk geval beschikbaar. ’Wat we hebben verzameld, krijg je nu nooit meer bijeen’, zegt Staats.

Was de expeditie eigenlijk niet vooral een laatste koloniale oprisping? De strijd om Nieuw-Guinea speelde zeker mee, denkt Brandenburg. Zo liet gouverneur Platteel in 1960 een nieuwjaarskaart maken die liet zien hoe de Nederlandse driekleur fier gehesen werd op de eeuwige sneeuw van de Julianatop. Verstappen gelooft er niet in. ’De expeditie had een wetenschappelijk doel. Die vlag van ons was geen nationalistische stunt, maar gewoon een alpinistengebruik.’

Hoe dan ook, het was allemaal vergeefs. In 1963 moest Nederland Nieuw-Guinea overdragen aan Indonesië. Verstappen denkt met weemoed terug aan de Papoea’s, ’voor wie wij het begin van de nieuwe wereld waren. Ze kwamen bij ons in loondienst, de eerste stap op de ladder van de wereldeconomie. Een historisch moment.’

Jammer, zegt Staats, ’dat we niet meer aandacht hebben besteed aan wat de Sibillers nu van óns vonden, hoe zij óns ervaarden.’ Maar dat past in de tijd: de Papoea’s werd nooit wat gevraagd.

naar vorige pagina