Disclaimer

naar vorige pagina

Expeditie Sterrengebergte 12 mei 1959

BASISKAMP SIBIL. – Het is niet zo eenvoudig om van Hollandia uit ons basiskamp te bereiken. De deelnemers uit Nederland probeerden het op 10 april, maar toen was de reenval te Sibil te groot geweest en de Twin Pioneer vertrok niet van het vliegveld Sentani. Op 11 april vertrok het vliegtuig wel, maar vlak voor de waterscheiding in het centrale bergland werd het weer te slecht en men keerde naar Hollandia terug. Op zondag 12 april werd niet gevlogen en op maandag was de Twin nodig voor de bevoorrading van de Baliemvallei. Zo duurde het tot 14 april voordat de Nederlandse deelnemers en de gouvernementsarts Romijn te Sibil aankwamen. Sedertdien hebben wij geen Twin meer gezien, want het weer speelde ons parten. Op dagen, dat er niet gevlogen wordt, is het weer er juist geschikt voor en tegen dat wij weer aan de beurt zijn gaat het weer mis. Dat is nu eenmaal de gewone gang van zaken, als er over het bergland moet worden gevlogen.

Een typische Sibilman met neus-, hals- en hoofdversiering, terwijl over hoofd en schouder het gevlochten netje hangt, waarin. hij allerlei artikelen als tabak en knollen vervoertZONDAG 19 APRIL hadden wij hier de eerste zomerse dag. Het bleef de gehele dag stralende zonneschijn en er wordt beweerd, dat de temperatuur (enigszins in de zon) tot 32 graden Celsius steeg. Van zaterdagmorgen tot zondagmorgen viel er dan ook maar 1 mm neerslag. Vandaag (21 april) waren wij weer tot normale regenval (26 mm) teruggekeerd. Het wachten is nog steeds op de helikopters. Uit Tanah Merah horen wij dat zij vliegen en dat zij de geologische groep van dr. Ch. B. Bär bevoorraden. Voor zij hier kunnen komen, moeten er langs de route op afstanden van vijf kilometer open plekken in het bos worden gekapt die als landingsplaatsen moeten dienst doen. Ten dele zijn dit uitwijkhavens, ten dele moeten de helikopters daar kunnen landen om exploratiegroepen te bevoorraden en verzamelingen af te halen. De groep Bär is nu een dag of 14 op mars en zij was eergisteren gevorderd tot de kloof waardoor de Oost-Digoel van het gebergte uit het laagland instroomt. Het terrein is zeer moeilijk en men kan dus maar langzaam vooruit komen. In enigszins zwaar bos is het ook niet eenvoudig, om een open plek te kappen met een straal van 30 meter. Bovendien moet daarin nog een platform van zes bij zes meter worden gemaakt, waarop de helikopter moet landen om de drijvers niet te beschadigen. Tussen het begin van de kloof en Katem (aan de samenvloeiing van de Okiwoer en de Oost-Digoel) moeten nu nog tien van dergelijke clearings worden gekapt. Tussen Katem en Sibil nog eens vijf of zes. Om het werk te bespoedigen zonden wij eergisteren een politiepatrouille uit onder commando van de heer R. Kroon, de commandant van het detachement mobile politie te Sibil. Met hem gingen mee vier Papoea politieagenten, een marinier, zes moejoes en zestien dragers uit de Sibilvallei. Als zij flink opschieten, gaan zij van Katem nog een eindje langs de Oost-Digoel om daar ook nog clearings te kappen. De verbinding door middel van helikopters komt dan spoedig tot stand.

Koud

De opbouw van het kamp in Sibil gaat gestaag voortNu er geen helikopterverbinding is, hebben wij nog lang niet de gehele uitrusting ontvangen voor het wetenschappelijke werk. Niettemin is er al heel wat gedaan. De anthropoloog dr. A. G. de Wilde neemt van de Sibillers vinger- en handpalmafdrukken. Dat gebeurt voor een deel hier in het kamp als aan het einde van de dag de lonen worden uitbetaald. Dit heeft het voordeel, dat de namen en de woonplaatsen bekend zijn en dat later dezelfde mensen gemeten kunnen worden als de uitrusting er is. De botanici zijn evenals de zoölogen ijverig aan het verzamelen. In het begin leverde het drogen van de verzamelingen moeilijkheden op, maar thans is daarin voorzien. Het kan hier ’s avonds behoorlijk koud zijn en men heeft daarom van een lege drum een kachel gemaakt, die in het onderzoekersbivak staat. Niet alleen is het daar nu ’s avonds behaaglijk, maar de warmte komt goed te pas voor het drogen van planten en insecten. Zo staan er al weer enige blikken en pakken voor verzending gereed. De fysisch geograaf, dr. Th. Verstappen en de agrogeoloog ir. J . Reynders bestuderen de terrassen van de Sibilvallei. De taalkundige dr. J. Anceaux en de ethnoloog dr. J. Pouwer laten zich, voorlopig nog met behulp van de Moejoe-tolk Kotanon, voorlichten over de taal en gebruiken van de Sibilbevolking. Zij zijn nu naar de kampong Kigonmediep om daar een dag of vijf een studie van gewoonten op de verwantschappen te maken. Morgen gaan ir. J. Reynders, dr. Th. Verstappen en de zoöloog dr. W. Vervoort een tocht van een dag of vijf maken naar het dal van de Ok Tsjob, ten noorden van ons kamp. Zo is dus iedereen bezig met in de omgeving van het basiskamp het terrein te verkennen. Een aantal kampongs is daarbij al bezocht, zoals Kigonmediep en Toelo aan de zuidzijde van het dal, Koekding, Betabip en Wolding aan de noordzijde van het dal. Al deze kampongs liggen vrij hoog tegen de helling van het gebergte. Gemakkelijk te bereiken zijn zij niet. De paden zijn steil en hier en daar spekglad. De kampongs zijn over het algemeen klein. In het midden is een cirkelvormig pleintje, dat omgeven is door een lage omheining van horizontaal gelegde boomstammetjes. Binnen deze omheining staat aan de ene kant het iwool (het sacrale huis), waarin alleen de mannen mogen komen. Ons werd het echter niet vergund er een kijkje in te nemen. Buiten de omheining staan dan nog vier of vijf gezinswoningen. Deze woning zijn tegen de omheining geplaatst en aan de pleinzijde is een vierkante opening, waardoor de mannen in- en uitgaan. Aan de achterzijde is een grotere opening met een loopplank, waardoor de vrouwen gaan. De vrouwen mogen alleen op het plein komen als er een dansfeest is. Zij mogen slechts op een bepaalde plaats over de omheining komen en nooit door de ingang voor de mannen gaan. Soms staat er binnen de omheining nog een speciaal keukenhuis. In elk huis is een stookplaats, waar kladiknollen en bataten worden geroosterd.

Kleding

De verstandhouding met de  Papoeabevolking in  Sibil is uitstekend. De inheemsen bezoeken het kamp regelmatig en knappen allerlei karweitjes op.DE BEVOLKING is, zoals gebruikelijk in dit land, slechts schaars gekleed. De mannen dragen een kokervormig stuk kalebas, dat met en stukje touw om het middel is bevestigd. Om de buik is dan nog een smalle gevlochten zwarte band gewonden. Soms wordt een ketting van varkenstanden om de hals gedragen. Het schijnt dat de lieden, die een dergelijke ketting van varkenstanden dragen belangrijke personen zijn. Enkele mannen dragen een versiering van casuarisveren of van veren van de wimpeldrager (een soort paradijsvogel) op het hoofd. Bij de meesten is het neustussenschot doorboord en daarin wordt een cylindervormig stuk steen, een varkenstand, of een stukje bamboe gedragen. Hier laat de beschaving zijn invloed gelden en er. zijn mannen, die een lege jodiumstift of een leeg buisje van vuursteentjes door de neus dragen. Merkwaardig is de versiering, die verticaal in de neusvleugels wordt gestoken. Soms zijn dit twee dunne staafjes, een centimeter uit elkaar en ter weerszijden van de neusrug geplaatst. Een van de mannen heeft op de staafjes de kop van een neushoornkever met een zeer lange, gebogen hoorn gezet. Een andere draagt er twee vogelveertjes in. Bij veel mannen is de oorlel doorboord en uitgerekt. Oorspronkelijk hoort daar een schijf bamboe in gedragen te worden, maar nu hebben leukoplastrolletjes veel aftrek . De vrouwen en meisjes dragen schortjes gemaakt van een soort riet. Elk schortje bestaat uit verschillende lagen boven elkaar. Het zijn niet de elegante, golvende, lange grasrokjes, die men in de omgeving van Tanah Merah aan de Digoel ziet, maar korte, stugge gevallen. Tot de uitrusting van man, vrouw of kind behoort het grote draagnet, waarin allerlei bezittingen worden meegedragen. Het net hangt aan een lange band, die over het voorhoofd wordt gedragen. Soms wordt het ook als schepnet gebruikt voor het vangen van kikkervisjes, die rauw worden gegeten. De taal zijn wij nog steeds niet machtig. Wel hebben wij enkele korte zinnetjes geleerd, maar dan leveren de antwoorden weer moeilijkheden op. Om de bevolking duidelijk te maken wat wij doen, heeft het bestuur namen voor ons ingevoerd. Zo ben ik Toean Kolson Awotson, ofwel de heer van de kikkers en hagedissen. Langzamerhand begint het door te dringen , dat ik koper van deze dieren ben en er komt al een enkele keer een jongen met een uit zijn mond gespaarde kikker of hagedis om die te ruilen tegen een fel gekleurde knoop. De ouderen vinden dat nog verkwisting . Toen ik met een heel klein hagedisje in mijn hand liep, mompelde een oude man "namnam" , hetgeen "eten" schijnt te betekenen.

Broek

ER ZIJN OOK gebruiken, waarvan wij de bedoeling nog niet kunnen doorgronden. Enkelen van ons kregen ergens aan een riviertje van een man een paar pisangs . Die werden niet rechtstreeks overhandigd, maar eerst in het water gegooid, er weer uitgevist en toen aan de Europeanen gegeven. Het is geen gewoonte iemand te vragen hoe hij heet, dat doet men aan de man die naast hem staat. Dit gebruik raakt er wel een beetje uit, nu er voor de werkzaamheden in het kamp Sibillers worden aangenomen en er dus een soort loonadministratie moet worden bijgehouden. Als zij hun loon komen halen, zijn zij meestal wel bereid hun naam te zeggen. Bij het werk zijn belangrijke personen, die niet de moeite doen om zelf stenen uit de rivier te halen. Zij gaan op het vliegveld zitten en krijgen dan van de anderen wel zo nu en dan een steen. Als zo’n vrachtje bij elkaar is, brengen zij het naar het kamp om toch hun loon in ontvangst te kunnen nemen. In het begin gaven wij Sibilse bezoekers aan onze huizen nog wel eens een sigaret, maar dat is afgelopen, want zij komen nu om vragen. Te royaal zijn is verkeerd want dan komt er een devaluatie in de ruilartikelen. Enkele Sibillers hebben een broek gekregen, maar dat is meestal geen succes, omdat zij er geen idee van hebben, dat zo’n broek ook wel eens moet worden gewassen. Bovendien is het een vreemd gezicht iemand met een broek te zien rondlopen, waaruit ook nog de gebruikelijke kalebas steekt.

naar vorige pagina